Ontstaan

Openbare optochten met een ceremonieel en/of feestelijk karakter zijn van alle tijden. Egyptenaren, Grieken, Romeinen en andere beschavingen waren even vertrouwd met het fenomeen dan de bevolking van middeleeuws Europa.
Zo waren er ook in Dendermonde - al zeker sinds de 12e eeuw – verschillende processies die jaarlijks door de straten trokken en waarbij het christelijk geloof openbaar werd beleden. Er was de Heilige Sacramentsprocessie, de Onze-Lieve-Vrouweprocessie en vooral de processie van de kerkwijding (29 augustus). Deze laatste groeide uit tot de gemengd religieuze en profane ommegang die met veel pracht en praal door de stad trok en nauw verbonden was met de kermis.
Tot ca. 1450 was het een loutere processie van devotie waarbij groepen religieuzen, notabelen, gilden, ambachten en broederschappen door de straten trokken en het Heilig Sacrament, het Onze-Lieve-Vrouwebeeld en/of de relieken van de stadspatronen met zich mee droegen. Toorts- en banierdragers, minstrelen, zangers en muzikanten vervolledigden het gezelschap. De organisatie was volledig in handen van de kerk.
Vanaf het midden van de 15e eeuw kende de processie een sterke groei. Rederijkerskamers wedijverden met elkaar in het opvoeren van taferelen uit het Oude en het Nieuwe Testament, de inbreng van muzikanten, gilden en ambachten groeide gestaag en het stadsbestuur werd betrokken bij de organisatie. Geleidelijk deden ook meer mythologische en profane taferelen hun intrede, zoals de uitbeelding van het verhaal van Sint-Joris en de draak of de hellewagen.
Zoals ook in andere steden het geval was, deden reuzenfiguren in de vorm van mensen en dieren hun intrede in wat ondertussen geëvolueerd was tot een half-religieuze en half-profane ommegang, een manifestatie van stedelijke macht en zelfbewustzijn. Eén van die elementen is het Ros Beiaard met de Vier Heemskinderen, die voor het eerst vermeld worden in 1460-1461.
In 1568, bij het begin van de contrareformatie, kwam er een einde aan de half-religieuze, half-profane ommegang. Enkel de kerkelijke processies bleven gehandhaafd. Toen vanaf ca. 1600 opnieuw met de traditie van de (Ros Beiaard)ommegang werd aangeknoopt werden de processie van devotie en de profane kermisoptocht duidelijk van elkaar gescheiden. De eerste helft van de 17e eeuw vormde een nieuwe bloeiperiode voor de ommegang waarbij tal van attributen werden vernieuwd of aangevuld (vb. het hoofd van het Ros Beiaard, de huidige gildereuzen, een nieuw ‘oorlogsschip’, het Rad van Avontuur, de knaptanden).
Omwille van oorlogsomstandigheden en de daarop volgende slechte financiële toestand van de stadskas, ging de traditie van een jaarlijks (Ros Beiaard)ommegang verloren vanaf de tweede helft van de 17e eeuw. Ook in de 18e eeuw ging nog slechts uitzonderlijk een grotere ‘ommegang ende cavalcade’ uit, meestal in het kader van belangrijke feestelijkheden of herdenkingsdata zoals in 1754 toen het 900-jarig jubileum van de overbrenging van de relieken van de stadspatronen werd herdacht.
Vanaf het begin van de 19e eeuw (Franse periode met inperking van de kerkelijke invloed) kregen de profane elementen definitief de bovenhand op de religieuze. Ter gelegenheid van openbare feesten en optochten ging men teruggrijpen naar nog bewaard gebleven profane elementen. Deze ‘traditionele onderdelen’ (Ros Beiaard, Reuzen, Schipke, Walvis, …) kregen een steeds belangrijkere status en werden aangevuld met thematische praalwagens en groepen.
In de 20e eeuw heeft het Ros Beiaard definitief de hoofdrol gekregen. Het paard is samen met de heldhaftige Vier Heemskinderen vergroeid met de Dendermondse ziel. Toen Ros Beiaard in 1990 zijn ronde door de stad maakte, was dit meteen het begin van een nieuwe traditie. Voortaan zou de ommegang om de 10 jaar plaatsvinden.
De Ros Beiaardommegang heeft een hoge waarde op folkloristisch gebied en wordt ondersteund door traditionele voorschriften. Deze voorschriften zijn opgetekend in het Ros Beiaardhandvest.

Meer info?

Rosbeiaard